Nut en genoegen
Tsjummearum

Sjoerdco.nl

 

 

 

 

'T Nut, Tsjummearum 150 jier, 28 febrewaris 2012

 

 

Nut en genoegen: ynfo

 

 

Ter ere van het vijftig jarig bestaan van “Nut en genoegen” op woensdag 28 februari 1912 is er een “extra nommer” uitgebracht van het “Tjummarumer Nieuws- en Advertentieblad” onder redactie en medewerking van “Nuttige en genoeglijke wezens” die boven elke critiek staan. Het staat vol met door “Nut en Genoegen” uitgebracht “zogenaamd hilarisch nieuws”.

De prijs per nummer bedroeg “'t Doen van een nuttig werk en 't voortdurend zijn in een genoegelijke stemming”.

 

 

Belangrijke jaren voor Tjummarum. (selectie uit “Tjummarumer Nieuws- en Advertentieblad” 1912)

 

Anno:

700-800

Een invloedrijke Fries met name Tjedmar vestigt zich hier met der woon. Zijn woonstede werd door de bewoners van de omgeving “Tjedmarhiem” of “Tjedmarhum” genoemd; d.w.z. huis en erf van Tjedmar. Langzamerhand kwam Tjedmarum en eindelijk de tegenwoordige naam “Tjummarum”.

 

Anno:

1400-1500

Voortdurende twisten tusschen de Roordema's van Tjummarum en de Abten van Klooster Lidlum.

 

Anno:

1572-77

Geheele verbranding van Tjummarumer Pastorie. De Abt van Klooster Lidlum veroordeeld om de Pastorie te Tjummarum weer op te bouwen.

 

Anno:

1832

Stichting van een school in de buurt naast 't armhuis.

 

Anno:

1849

Oprichting der Begrafenis- Vereeniging.

 

Anno:

1862

Oprichting van de Vereeniging Nut en Genoegen.

 

Anno:

1868

Oprichting van de Rederijkerskamer (8 April)

 

Anno:

1879

Oprichting der Vereeniging voor Volksvermaken.

 

Anno:

1904

Koningklijke goedkeuring der statuten van “Nut en Genoegen”.

 

Anno:

1912

Nut en Genoegen 50 jarig bestaan.

 

Anno:

2012

Nut en Genoegen 150 jarig bestaan.

 

 

Het ontstaan van Nut en Genoegen (Maatschappij tot Nut van 't Algemeen)

 

De tweede helft van de negentiende eeuw was een roerige tijd voor wat betreft het sociale, culturele en verenigings leven. Men werd meer bewust van eigen ontwikkeling en de verhouding van rangen en standen met als gevolg een vergaande “democratisering” van het particulier initiatief. Wat op zich weer heeft geleid tot een tot dan toe ongekende kwantitatieve bloei van het culturele verenigingsleven.

Er werden maatschappelijke verenigingen opgericht en Rederijkerskamers en Nutsdepartementen, met verwante reciteergezelschappen en liefhebberij-tonelen, behoorden daarbij tot de toppers. In korte tijd ontstond een heuse rederijkersbeweging en op provinciaal en nationaal niveau werden ‘rederijkersverbonden’ opgericht, er vonden onderlinge toneel- en reciteerwedstrijden plaats en een reeks van rederijkers-tijdschriften (oprichting van het Nederlandsch Rederijkers Verbond de eerste jaargangen van het Rederijkers Weekblad, uitgegeven vanaf 1864) zagen het licht. De rederijkerskamer-nieuwe stijl stond niet in rechtstreeks historisch verband met de naamgenoten van de vroegmoderne tijd. Veeleer wortelde ze in de achttiende-eeuwse cultuur van dichtersgenootschappen.

Om de rederijkerij als beweging vorm te geven, werd veelvuldig naar de oudere zusterorganisatie gekeken, hoewel de rederijkers zich niet blind spiegelden aan het Nut. Met name het Nederlandsch Rederijkers Verbond en verschillende rederijkers-periodieken zijn (mede) naar Nutsvoorbeeld ontstaan. Maar de rederijkerij was toch in de eerste plaats een lokale aangelegenheid, ontstaan door plaatselijke initiatieven, met een beperkte overkoepelende organisatiegraad. Om er dus werkelijk grip op te krijgen, is het nodig de lokale praktijk in ogenschouw te nemen.

 

Het Nut

 

Het Nut behoeft geen introductie. Zonder overdrijving kan het beschouwd worden als het meest invloedrijke cultureel genootschap van de negentiende eeuw. Dankzij de strakke organisatie van een hoofdbestuur met een daaronder ressorterend wijdvertakt departementenstelsel maakte de Nuts-ideologie over bijvoorbeeld zelfbeheersing, spaarzaamheid en zelfredzaamheid al gedurende de eerste eeuwhelft opgang tot in de kleinste dorpen. Een hoofdactiviteit op plaatselijk niveau waren de zogenaamde winteravondbijeenkomsten, waarbij de mede-leden werden onthaald op een lezing en voordrachten uit het werk van, veelal bekende, dichters.

 

Verder kwamen er vele specialistische genootschappen die ieder een deel van het takenpakket van het Nut op zich namen, zoals: Matigheids-Genootschappen, het Onderwijzers-Genootschap, de Maatschappijen van Weldadigheid en van Landbouw, de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, verenigingen voor Volksvoordrachten en Volksvermaken, brei- en naaischolen, bibliotheken enz. Een belangrijke stimulans vormden de volksvoordrachten voor “geschikte manspersonen van den minderen burgerstand”.

 

Het genoegen

 

Waar de dichtersgenootschappen echter voornamelijk gericht waren op de productie van poëtische voortbrengselen, herbergden de rederijkerskamers merendeels poëzieconsumenten. Ze vormen de institutionele uitdrukkingsvorm in optima forma van de negentiende-eeuwse “orale cultus”, deze stoelde op het idee dat poëzie niet in stilte of eenzaamheid gelezen moet worden, maar pas tot haar recht komt wanneer ze in gezelschap wordt voorgedragen. In de rederijkerskamers verzamelden zich de liefhebbers van deze voordrachtskunst, die elkaar becommentarieerden op uitspraak en gebaarmakingen. De voordragers namen als “werkende leden” plaats achter de katheder, de passieve toehoorders als “kunstlievende leden” in de zaal.

Het mes sneed aan twee kanten: de werkende leden konden zich oefenen in de zo ingewikkelde voordrachtskunst (de “uiterlijke welsprekendheid”) en de kunstlievende leden maakten kennis met hoogtepunten uit de Nederlandse poëtische traditie, althans, dat was de opzet.

De notabelen uit die tijd hadden het gevoel niet achter te willen blijven bij andere plaatsen. Een citaat uit die tijd: “het volslagen gemis hier ter plaatse, aan al wat aan de ontwikkeling en veredeling van verstand en hart kan bevorderlijk zijn. Want niemand toch die behoefte gevoelt aan iets hoogers dan geoorloofde uitspanningen tot zoogenaamd tijdverdrijf en ten einde zich niet in den huiselijken kring te vervelen, zal genoegen of bevrediging voor zijnen geest vinden in de schaarsch gehouden vergaderingen onzer afdeeling der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, alwaar, ja dikwijls waardige mannen het woord voeren, maar de kritiek zoo oppervlakkig en bevooroordeeld tevens is, dat niet dan een enkele onzer ingezetenen en dan nog met schroom het wagen durven aldaar op te treden, zoodat ook die bijeenkomsten meer aangenaam dan nuttig en derhalve minder voor het ons voorgestelde doel: eigen oefening, geschikt zijn”.

En een waarachtige vriendschapsband diende als uitgangspunt:

“Vriendschap zij de band die ons vereenige en beziele. Met haar zullen wij elkanders gebreken verdragen, met haar zal nimmer gekrenkt eergevoel in onzen boezem ontbranden, vriendschap zal ons terughouden van achterklap en spotternij, waarmede wij elkander onderling zouden krenken; vriendschap zal onzen gezelligen omgang kruiden”.

Een rederijker is iemand die de welsprekendheid (retorica) beoefent. Een specifieke betekenis kreeg dit woord in de late Middeleeuwen toen amateur-dichters zich verenigden in geestelijke broederschappen die rederijkerskamers werden genoemd.

In de periode 1300 tot 1500 was er weinig vertier. De mensen gingen toen met een clubje bij elkaar liederen dichten en zingen en toneelspelen spelen.

Er waren ook wedstrijden om uit te maken welke Rederijkersgroep het beste toneelstuk schreef en opvoerde. Deze wedstrijden heetten landjuwelen. De winnaar kreeg een prijs en moest de volgende keer de wedstrijd organiseren.

 

Rederijkers bestaan nog steeds. De meeste rederijkerskamers zijn tegenwoordig gezelligheidsverenigingen, maar vooral in het noorden van Nederland is er een levendige cultuur binnen de daar gevestigde rederijkerskamers.

 

 

 

Uit het “Tjummarumer Nieuws- en Advertentieblad” 1912.

 

1862-1912

 

Leden van “Nut en Genoegen”, een poos stil gestaan; één avond blijde feestgevierd! Uw vereniging

heeft 50 jaren bestaan, veel goeds is door haar tot stand gebracht. Gij hebt dus alle recht luide uw feestlied aan te heffen. Nederig was het begin uwer vereeniging, nu oefent ze invloed uit op velerlei gebied, is ze een boom geworden, die naar alle kanten zijn takken uitspreidt. In 1862 werd op initiatief van Ds. Cannegieter een leeskring opgericht, welker leden eenige malen in den winter samen kwamen om onder genoegelijke kout en 't houden van voordrachten en lezingen nuttige en aangename avonden te hebben. Geen wonder, dat als naam der vereeniging Nut en Genoegen gekozen werd. Al spoedig werd overgegaan tot het oprichten van een volksbibliotheek, die nog bestaat en over een ruim 600-tal boeken beschikt.

In 1874 werd een naai- en breischool gesticht, die een negental jaren van onschatbare waarde is geweest voor het volk. Doordat de wet op het Lager Onderwijs het vak nuttige handwerken voor meisjes verplicht stelde, werd deze veel goeds doende inrichting opgeheven. Nut en Genoegen zocht nu op ander terrein nuttig te zijn en met succes. Aan de Zondagsschool en het fanfare-corps werden subsidie's gegeven.

Maar het werk werd omvangrijker. In 1904 werd besloten een afdeling Floralia op te richten. Dat dit een gelukkig idee was, blijkt wel uit het feit, dat Floralia nog steeds bloeit. In tal van woningen worden elk jaar met de meeste zorg een drietal planten opgekweekt. Bij de jaarlijkse tentoonstelling zijn steeds prachtige bloemen te bewonderen. Liefde voor de natuur, in 't bijzonder voor planten, is het gevolg van Floralia's optreden. Van zeer groot belang was ook het in 't leven roepen van een Spaarbank. Duizenden guldens worden nu zorgvuldig bewaard en geven den bezitters op 't eind van het jaar een ferme som in den vorm van rente.

En menigeen wordt op een billijke wijze geholpen, als hij in tijdelijke verlegenheid is of een of andere zaak wenscht te beginnen. Valsche schaamte behoeft niemand te weerhouden geld in te leggen of hulp te vragen, daar bestuurders stipte geheimhouding opgelegd is.

Voor de leidende menschheid is de oprichting van de afdeling “Het Groene Kruis”een uitkomst geweest. De afdeling is in korten tijd in het bezit gekomen van een groot aantal voorwerpen, die zieken niet kunnen ontberen. Niemand behoeft ooit vergeefs aan te kloppen, met de meeste bereidwilligheid wordt aan de verzoeken om hulp voldaan.

Leden der vereeniging, is er geen reden op feestelijke wijze het 50-jarig bestaan uwer vereeniging te gedenken? Veel is en wordt er gedaan. Uw vereeniging heeft getoond te begrijpen, wat haar plicht is n.l. Te werken in het belang der samenleving, te strijden voor het belang van Tjummarum.

Gij moogt u gelukwenschen met een getal van vijftig leden, een getal dat tot dusverre nog niet was bereikt. Werkt met die kracht eendrachtelijk samen in dezelfde goede richting, die door “Nut en Genoegen” in haar vijftig jarig leven, dat nu achte ons ligt, is gevolgd. Eén avond feest gevierd en dan weer met ijver en moed aan 't goede werk!

 

Uit het “Tjummarumer Nieuws- en Advertentieblad” 1912.

 

Kort Nieuws uit Tjummarum:

 

Bij de op 6 Februari alhier gehouden hardrijderij van mannen en vrouwen stond er zoo veel water op 't ijs dat een der rijdsters aan de directie verzocht om zwemmend mee te mogen doen. 't Werd haar toegestaan. Zij zwom en won de premie.

 

Doter P. alhier heeft antipathie tegen 't “Groene Kruis.” Hij houdt staande dat 't Gr.Kr. De oorzaak is, dat alles hier zoo gezond en monter is en hij als 't zoo doorgaat spoedig op zijn poot zal moeten zuigen.

 

Een advertentie:

 

De licht-firma

H. Oosterbaan & Keuning & zn

houdt zich aanbevolen voor 't aanbrengen van de prachtigste gas-illuminaties. Zij weet zelfs de duisterste zaken en personen in 't ware licht te stellen, behalve de heeren Kerkvoogden van Firdgum, die 't licht niet schijnen te kunnen verdragen.

 

Als laatste een dankbetuiging voor de felicitaties voor het 50-jarig bestaan:

 

Dankbetuiging.

 

De vereeniging “Nut en Genoegen” te Tjummarum dankt op de meest hartelijke wijze voor de belangstelling haar op haar 50en geboortedag door zoo velen getoond.

't Gaat goed met hare kinderen. De oudste O. ö O. is goed gezond maar ze mocht wel wat opgefrist worden. Ze ziet net als alle andere meisjes van zekeren leeftijd met verlangen naar geregeld bezoek uit. De beide tweelingen “Oeconomia” en “Floralia” waarvan ze in 1902 reeds in hoopvolle verwachting was (zie de Tjummarumer Courant van 1 December 1902) groeien voorbeeldig en hare beide later aangenomen dochters “'t Groene Kruis” en “Zondagsschool” voelen zich wonder wel thuis in de familie onder mijn hoede.

 

 

Bronnen: Tjummarumer nieuws en advertentieblad,

O.Westers en Wikipedia.